Gewone grootoorvleermuis

Plecotus auritus

De gewone grootoorvleermuis is een middelgrote vleermuis die gekenmerkt wordt door zijn grote oren, die bijna even lang zijn als het lichaam van de vleermuis. De gewone grootoorvleermuis is een echte standvleermuis die vaak in de onmiddellijke nabijheid van de zomerverblijfplaats overwintert (BIJ12, 2017).

Kwetsbare periodes

De gewone grootoorvleermuis kent de volgende kwetsbare periodes:

  • Winterrust: Van half oktober t/m begin april.
  • Kraamtijd: Kraamverblijfplaatsen zijn in gebruik van mei t/m half september; jongen zijn er van juli tot en met augustus.
  • Paartijd: September tot en met half oktober en eind maart t/m april.
  • Gebruik zomerverblijfplaatsen: April t/m half oktober.

De genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische en meteorologische omstandigheden. Het gebruik van vliegroutes en foerageergebied is afhankelijk van de functie van de verblijfplaats.

De gewone grootoorvleermuis is een echte standvleermuis die vaak in de onmiddellijke nabijheid van de zomerverblijfplaats overwintert. Nieuwe plekken die als verblijfplaats kunnen dienen, worden door de gewone grootoorvleermuis snel ontdekt. Er bestaan groepen gewone grootoorvleermuizen die gebouwen bewonen en groepen die bomen bewonen (BIJ12, 2017).

Algemeen

Een kraamkolonie gewone grootoorvleermuizen bestaat veelal uit 15 tot 35 vleermuizen, soms kan dit aantal oplopen tot 75 individuen. Een lokale populatie bestaat meestal uit een of soms meerdere kraamkolonies van tot 15 à 35 (of meer) vrouwtjes, enkele groepen niet- voortplantende vrouwtjes en de solitair of in kleine groepjes levende mannetjes. Ze gebruiken een netwerk van meerdere, vlak bij elkaar gelegen verblijfplaatsen die veelal binnen een straal van enkele kilometers gelegen zijn. Ze wisselen vaak tussen verschillende verblijfplaatsen die dezelfde functie hebben. Tussen de kolonies kan er veel uitwisseling van individuen plaatsvinden, maar uitwisseling tussen de gebouw bewonende en de boombewonende gewone grootoorvleermuizen vindt nauwelijks plaats (BIJ12, 2017). De gewone grootoorvleermuis vliegt uit in de schemering en vaak ook pas als het echt donker is, dit is namelijk afhankelijk van het lichtniveau rond de uitgang. Gewone grootoorvleermuizen jagen in langzame cirkels en een langzame zeer wendbare vlucht dicht op en door de vegetatie, waar ze insecten van bladeren of uit de lucht grijpen. De echolocatie is zeer zacht en aangepast aan foerageren tussen gebladerte. Ook worden prooien gelokaliseerd aan de hand van de geluiden van de prooidieren zelf. Bij voldoende licht jagen gewone grootoorvleermuizen ook op zicht (BIJ12, 2017; Buys, 2016).

Beschermingsstatus

De gewone grootoorvleermuis wordt in Europees verband beschermd onder Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. In Nederland wordt de gewone grootoorvleermuis beschermd onder het beschermingsregime ‘Europees beschermde soorten’, Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. De IUCN-status van deze soort is ‘niet bedreigd’. Voor meer informatie over de beschermingsstatus van de gewone grootoorvleermuis, zie het kennisdocument

Habitat

De volgende typen verblijfplaatsen maken deel uit van het functioneel leefgebied, waarbij eenzelfde verblijfplaats voor meerdere typen (functies) gebruikt kan worden wanneer die ook voor die functies geschikt is.

Kraamverblijfplaatsen

De (kraam)groep leeft in een netwerk van een groot aantal bij elkaar gelegen verblijfplaatsen. Kraamverblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuizen zijn dikwijls op zolders te vinden. Deze zolders hebben door hun grootte verschillende microklimatologische omstandigheden. Vanaf april/mei gaan de vrouwtjes naar de kraamverblijfplaatsen. De jongen worden geboren vanaf half juni tot half augustus en na een week of vier kunnen ze vliegen. Kraamverblijfplaatsen worden dus gebruikt vanaf mei tot en met half september, waarbij in de periode juni tot en met half september ook jongen aanwezig kunnen zijn. Deze tijden kunnen afwijken door weersomstandigheden (BIJ12, 2017).

Paarverblijfplaatsen

De paartijd loopt van de herfst tot en met het voorjaar. Mannetjes worden dan waargenomen wanneer ze vanaf boomstammen of daklijsten, luid roepend baltsen. De mannetjes worden kunnen in boomholtes, op zolders of in kasten waargenomen worden. Daarnaast worden ook zwermen van zowel mannetjes als vrouwtjes in deze periode waargenomen. Paarverblijfplaatsen zijn dus in gebruik van september tot en met april. Het kunnen dezelfde plekken zijn als de winterverblijfplaatsen (BIJ12, 2017).

Winterverblijfplaatsen

Gewone grootoorvleermuizen overwinteren “onder de grond” in kalksteengroeven, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders, (kasteel)kelders en grotten. Het is echter ook mogelijk dat overwinterende grootoorvleermuizen in kleinere, koudere en minder vochtige objecten te vinden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan zolders, kerktorens, oude fabrieken, kruipruimtes van woningen (waarbij stootvoeg vlak boven het maaiveld als invliegopening dient). Tot slot vindt overwintering waarschijnlijk ook veel plaats in bomen en in kasten. Afhankelijk van het klimaat binnen de locatie kruipt de grootoorvleermuis diep weg, bijvoorbeeld achter een balk, of brengt de vleermuis hangend de winter door. Het kan voorkomen dat de winterverblijfplaatsen dezelfde plekken zijn als de zomerverblijfplaatsen, maar dit gebeurt nauwelijks. De gewone grootoorvleermuis lijkt eenvoudig nieuwe winterverblijfplaatsen te kunnen vinden. Grootoorvleermuizen worden in een beperkt aantal bij elkaar aangetroffen (BIJ12, 2017).

Zomerverblijfplaatsen

Ook ten aanzien van de zomerverblijfplaatsen gedraagt de gewone grootoorvleermuis zich opportunistisch in de keuze van de verblijfplaats en wordt ook weer een netwerk aan verblijfplaatsen bewoond. Ze worden zowel op zolders als achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in vleermuiskasten gevonden. Ze worden vaak aangetroffen in een ruime verblijfplaats, zoals kerkzolders of in pengaten in dakconstructies. Ze vormen meestal groepen van 5 tot 25 dieren, bij uitzondering tot 80 dieren. Mannetjes verblijven alleen of in kleine groepjes in de omgeving van de kraamkolonie. Zomerverblijfplaatsen zijn bewoond van eind maart tot en met half oktober (kan afwijken door weersomstandigheden). Dezelfde verblijfplaatsen kunnen ook in de winter gebruikt worden als winterverblijfplaats (BIJ12, 2017).

Foerageergebieden en vliegroutes

Gewone grootoorvleermuizen leven zowel binnen als buiten het stedelijk gebied. Hierbij komen ze voor in loof- en naaldhoutbossen, parken en tuinen, cultuurlandschap en moerassen zonder bossen. In hun leefgebied maken ze gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen (zoals hierboven beschreven), foerageergebieden en verbindingen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Geschikte verblijfplaatsen bevinden zich doorgaans in een straal van 2 tot 6, tot maximaal zo’n 10 kilometer rond geschikt foerageergebied (welke verbonden is met verblijfplaatsen door vliegroutes). Hierbij is de aanwezigheid van foerageergebied met voldoende beschutting en lijnvormige elementen, die de vliegroutes faciliteren, van groot belang. Tijdens het grootbrengen van de jongen is vooral de omgeving van de verblijfplaats tot 0,5 – 1 kilometer belangrijk als jachtgebied (BIJ12, 2017).

Foerageergebied

Gewone grootoorvleermuizen jagen meestal als het echt donker is en ze jagen op beschutte plekken in bossen en kleinschalige parkachtige landschappen, boven bospaden, in lanen en open plekken, langs bosranden en laag boven (bloeiende) kruidenvegetaties of langs en door de kroon van (bloeiende) bomen. Als wendbare vlieger jagen ze ook veel in gebouwen, bijvoorbeeld op zolders, in schuren en in stallen met vee. Het jachtgebied is gemiddeld 4 hectare groot en afhankelijk van het voedselaanbod ligt het jachtgebied tot maximaal 10 kilometer van de verblijfplaats (BIJ12, 2017).

Vliegroutes

Gewone grootoorvleermuizen jagen in de directe omgeving van de verblijfplaats tot op een afstand van doorgaans maximaal 10 kilometer. De dieren volgen lijnvormige structuren zoals hagen en houtwallen als vliegroute, maar in een bos of heel kleinschalig landschap zijn ze niet gebonden aan structuren. De dieren verlaten hun verblijf in de late schemering en vaker pas als het echt donker is. De gewone grootoorvleermuis is gevoelig voor wind. Onderbrekingen in lijnvormige structuren mogen dan ook niet te groot zijn of worden (BIJ12, 2017).

Kwetsbare periodes

De gewone grootoorvleermuis kent de volgende kwetsbare periodes:

  • Winterrust: half oktober tot en met begin april.
  • Kraamverblijfplaatsen zijn in gebruik van mei tot en met half september; jongen zijn er van juli tot en met augustus.
  • Paartijd: september tot en met half oktober en eind maart tot en met april.
  • Gebruik zomerverblijfplaatsen: april tot en met half oktober.
  • Het gebruik van vliegroutes en foerageergebied is afhankelijk van de functie van de verblijfplaats.

De genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden en de meteorologische omstandigheden (BIJ12, 2017).

Kwetsbare perioden van de gewone grootoorvleermuis (globale weergave) (BIJ12, 2017).

Eisen aan verblijfplaatsen

Plaatsing verblijf

  • Hoogte van invliegopeningen op minimaal 3 meter hoog om predatie te voorkomen. Alleen als een gebouw lager is (bijvoorbeeld arbeidshuisje) kan een minimum van 2,5 meter aangehouden.
  • Aanvliegroute naar verblijfplaats vrij van obstakels (zoals takken of bomen), kunstlicht (Berthinussen et al., 2018), verstoringen en buiten bereik van predatoren.
  • Verschillende microklimaten aanbieden (clustering met verschillende richtingen).

Invliegopening

  • In geval van reeds bestaand verblijf: de invliegopening komt zoveel mogelijk overeen met de oorspronkelijk invliegopening, zodat deze wordt herkend door de vleermuis. Tevens dient deze op dezelfde locatie te zitten zodat die sneller ontdekt wordt.
  • De toegang tot de invliegopening dient uit ruw (niet scherp) materiaal te bestaan, zodat vleermuizen met landen grip hebben (bijv. hout, stenen, metselwerk, houtwolcement etc.).
  • Invliegopening, invliegsteen of horizontale open voeg: minimaal 50-100 mm breed en optimaal 25 tot maximaal 35 mm hoog. Ingang licht schuin omhoog oplopend tegen inwatering en gebruik door vogels.
  • Invliegopening stootvoegen: minimaal 25 mm tot maximaal 35 mm breed en hoogte zelfde hoogte als de steen (50 mm hoog).
  • Voor kleinere soorten (o.a. gewone grootoorvleermuis) kan volstaan worden met een stootvoeg van 17-20 mm breed
  • Invliegopening dakpan(rand) en daklood: opening minimaal en optimaal 25-35 mm onder pan of loodslab en minimaal 50-100 mm breed. Langs dakrand meerdere of doorlopende invliegrand.

Verblijfplaats

  • Eenzelfde gebouw kan meerdere typen verblijfplaatsen herbergen in meerdere aantallen.
  • De verblijfplaats mag niet toegankelijk zijn voor mensen.
  • Voorzieningen dienen geïntegreerd in de constructie plaats te vinden. Dus onlosmakelijk en duurzaam onderdeel van het object uit te maken.
  • Materiaal dient geschikt te zijn voor vleermuizen:
    • De binnenkant moet ruw zijn (Simon et al., 2004) (geen glad beton, folie, kunststof, volkern, of glad hout), niet geverfd en duurzaam. Het materiaal moet voor vleermuizen voldoende grip bieden om te kunnen hangen en zich te kunnen verplaatsen.
    • Verblijfplaatsen zijn gemaakt van duurzaam materiaal zoals hout, houtwolcementplaat, wedi-plaat, houtbeton of opgeruwd betonmultiplex.
    • Het materiaal van de verblijfplaatsen moeten voldoende ademend zijn. Bij veel kunststof materialen (zoals bijvoorbeeld EPS bolletjesschuim) kan het erg warm worden in het verblijf en kunnen vleermuizen stikken.
    • Het toepassen van ondervorsten, dakfolies en dampopenfolies en losse isolatie en pur-afdichtingen dient achterwege te blijven uit de verblijfsplekken onder het dak en in de gevels. Bij gebruik van dampopen folies dient een vleermuisvriendelijke variant (bijvoorbeeld TLX Batsafe) toegepast te worden. Vleermuisvriendelijke dampopenfolie rafelt of pluist niet. Hierdoor raken vleermuizen niet verstrikt in losgekomen kluwen.
    • Indien dit niet kan worden toegepast moeten ondervorsten, dakfolies, dampremfolies afgedekt te worden met fijnmazig kunststof gripgaas met een maximale maaswijdte van 1 tot 2 mm om verstrengeling te voorkomen. Dit gaas dient voldoende duurzaam te zijn en mag niet makkelijk breken of losgetrokken worden.
    • Eventueel gebruikte houtbehandelingsmiddels moeten zoogdiervriendelijk zijn.
    • De bodem van de verblijfplaats moet waterdicht zijn.
    • Te herstellen of te vervangen verblijfplaatsen onder dakbedekking (met name voor laatvlieger) onder de dakpannen dienen gelijkwaardig te zijn aan bekende verblijfplaatsen onder type RBB-dakpannen en sneldekdakpannen. Hout of ruwe dakbeschot bedekking, overbrugging spouw, geen gladde folies of kunststof afsluitingen, doorgang onder gehele dakbedekking mogelijk, meerdere uitvliegopeningen).
    • Met name de omkasting aan de onderzijde dient vloeistofdicht te zijn.
  • Exacte maatvoering afhankelijk van benutting bestaande en te realiseren holle constructie ruimten, zoals overstekken, dakranden, overtollige isolatieplaatranden, schoorstenen, verlaagde plafond, loze zolderruimten, etc.

Groot zomerverblijf/kraamverblijf

  • Tevens geschikt als paarverblijf en jaarrond verblijf.
  • Alleen inwendig in het gebouw.
  • In de verblijfplaats moeten verschillende microklimaten aanwezig zijn.
  • Prefab inbouwkasten voldoen in beginsel niet als standaardoplossing voor deze verblijfsfunctie. Enkel bij geschakelde toepassing van vaak 4 of meer prefab elementen kan deze voldoen aan de functie kraamverblijf voor gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Voor de overige soorten is deze oplossing onvoldoende bewezen functioneel voor grootschalige en generieke toepassing.
  • Minimale oppervlakte van 15 m2 of 1,5 m3. Dit oppervlakte kan behaald worden door bijvoorbeeld met meerdere lagen te werken of door verschillende gebouwonderdelen met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld spouwruimte en dakruimte.
  • Variatie in microklimaat is enorm belangrijk voor een kraamkolonie vleermuizen. Dit kan gecreëerd worden door:
    • Verschillende gebouwonderdelen met elkaar te verbinden, zoals bijvoorbeeld dak en zolderruimte of dak en spouwruimte (spouwruimte heeft vaak een stabielere temperatuur dan de dakruimte waardoor deze als uitwijkmogelijkheid gebruikt kan worden bij warme weersomstandigheden).
    • Meerdere compartimenten in een verblijf aan te brengen. Bijvoorbeeld door:
      • Minimaal 3 verschillende compartimenten bestaan waartussen vleermuizen kunnen bewegen.
      • De compartimenten dienen voor verschillende soorten geschikt te zijn. Houd de volgende diepte aan voor de gewone grootoorvleermuis: 17-30 mm
  • Toepassing onder dakbedekking altijd in combinatie met toegang tot een spouw of loze ruimte in een dakrand of overstek.
  • Toepassing binnen plangebied afhankelijk van type werkzaamheden. Toepassing enkel in gevel is beperkend voor bijzondere soorten, combinatie verblijf in schoorsteen, brede spouwruimte, loze ruimte in dakrand of overstek of gelaagde ruimte onder dakpannen biedt wel kansen voor soorten als laatvlieger.
  • Enkel toepassing van plaatvormige gevelkasten biedt onvoldoende functionaliteit voor de bijzondere soorten als laatvlieger. Voor deze soorten dient een combinatie met dakrand, dak en schoorsteen uitgewerkt te worden per project.

Klein zomer / najaarsverblijf

  • Tevens geschikt als beperkt winterverblijf.
  • Minimale oppervlakte van 0,22 – 15 m². Toelichting: 0.22m² is de minimale maatvoering voor kasten en vergelijkbare wegkruipplekken.
  • Deze minimum maat kan gerealiseerd worden d.m.v. meerdere compartimenten of door verschillende gebouwonderdelen met elkaar te verbinden. Bij compartimentering dien met het volgende rekening gehouden te worden:
    • Zorg voor variatie in diepte zodat verblijf voor meerdere soorten geschikt is
    • Diepte hangplek gewone grootoorvleermuis: 17-30 mm

Eisen temperatuur, warmte-gradiënt en buffering

Vleermuizen managen hun energieverbruik o.a. met de keuze van verblijfplaats. In het volgende overzicht is de acceptabele minimum- en maximumtemperatuur aangegeven (voor zover bekend) in de periode dat het verblijf gebruikt wordt. Oververhitting is ongewenst, evenals te lage temperaturen, welke immers veel energie kosten.

Verblijven dienen zelfs in de wintersituatie voor de meeste soorten vorstvrij te zijn. Van belang is ook dat de individuen door middel van temperatuurgradiënten altijd een keuze hebben te reageren op relatief warme of koudere weersomstandigheden.

Om dit mogelijk te maken is het noodzakelijk om bij verblijfplaatsen interne verhuismogelijkheden te bieden. Dit kan in het verblijf zelf, bijvoorbeeld door het realiseren van een meerlaagse voorziening waar vleermuizen van de ene laag naar de andere laag kunnen verhuizen. Andere mogelijkheid is om verschillende gebouwonderdelen met elkaar te verbinden. Zoals bijvoorbeeld een dakvlak en een spouwruimte. Voor sommige soorten zoals laatvlieger en meervleermuis is dit een vereiste. Functionele ontwerpen moeten daarom ook altijd interne verhuizing toelaten. Gedeeltelijke overlap in temperatuurgradiënten is van belang voor temperatuurstabiliteit. Een hoge dynamiek in opwarmen en afkoelen is niet voorspelbaar voor vleermuizen en daarom ongewenst.

Verblijven, de wijze waarop, en de materialen waaruit ze gebouwd zijn moeten dan ook een goede buffering hebben, en materialen een hoge warmtecapaciteit. Kleuren aan de buitenkant van voorzieningen moeten oververhitting voorkomen en aan de noordkant van gebouwen juist opname van warmte bevorderen. Dit wil zeggen dat op een zuid- en westgevel die vol in de middagzon liggen, donkere kleuren onwenselijk zijn omdat er dan kans is op oververhitting. Op noord- en oostzijde van gebouw, waar minder zonneschijn op komt, kunnen donkere kleuren juist helpen met warmte opnemen omdat donkere kleuren warmte beter vast houden. De begeleidend ecoloog dient in de toepassing van maatregelen hier rekening mee te houden.

Ook dient rekening gehouden te worden met het aantal invliegopeningen die gerealiseerd worden. Meerdere invliegopeningen kan zorgen voor snellere ontdekking van een verblijfplaats, maar te veel invliegopeningen kan leiden tot tocht in het verblijf. Dit is onwenselijk omdat het tot uitdrogen en afkoelen van individuen kan leiden. Het advies is daarom om te kijken naar het aantal invliegopeningen in de bestaande situatie en dat aan te houden.

Temperatuurvereisten gewone grootoorvleermuis

  • Zomer- en paarverblijf
    • minimum: 6 ºC
    • maximum: 40 ºC
    • Opmerking: Interne migratie moet mogelijk zijn tussen koele en warme plaatsen.
  • Kraamverblijf:
    • minimum: 6 ºC
    • maximum: 40 ºC
    • Opmerking: Interne migratie moet mogelijk zijn tussen koele en warme plaatsen.

Over harde eisen van luchtvochtigheid is weinig bekend. In onderstaand overzicht staat aangegeven wat er bekend (of juist niet bekend) is over de eisen van luchtvochtigheid. Bij soorten waar luchtvochtigheid sterk richtinggevend kan zijn (bijv. baardvleermuis, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis) is het aan te raden om omstandigheden zoveel mogelijk overeen te laten komen met bestaande verblijfplaats.

Luchtvochtigheidseisen gewone grootoorvleermuis

  • Zomer- en paarverblijf
    • Sterk richting gevend binnen ontwerp. Harde grenswaardes onbekend, geen heel droge verblijven, maar ook geen dauwvorming.
  • Kraamverblijf:
    • Sterk richting gevend binnen ontwerp. Harde grenswaardes onbekend, geen heel droge verblijven, maar ook geen dauwvorming.

Eisen omgeving

Een geschikt leefgebied bestaat uit een combinatie van onderstaande elementen in de directe omgeving (100 à 200 meter) van de beoogde verblijfplaats. Daar waar er een of enkele elementen ontbreken als gevolg van de werkzaamheden rondom het bouwkundig versterken kunnen deze worden aangelegd. Wanneer er kansen zijn om een ‘plus’ voor het leefgebied aan te leggen wordt dat gedaan. Dit wordt door de projectecoloog bepaald. De volgende elementen dienen aanwezig te zijn om een gebied als geschikt leefgebied te beoordelen.

  • Nabijheid van water.
  • Nabijheid van bomenrijen, bossen met open plekken en/of donkere gazons met alleenstaande bomen.
  • Nabijheid van lijnvormige structuren (bijvoorbeeld bomenrijen en/of bosranden).
  • Voldoende voedselaanbod (insecten).
  • Geen directe verlichting op verblijfplaatsen, waterelementen, lijnvormige structuren en alleenstaande bomen die een functie vervullen in het vleermuisnetwerk.
  • Indien toch verlichting gebruikt wordt dient vleermuisvriendelijke verlichting toegepast te worden (rood of amberkleurig). In lage hoeveelheid lumen, lage armaturen en vooral gericht op het wegdek, waarbij uitstraling naar de omgeving wordt voorkomen.

Indien als gevolg van de werkzaamheden potentiële vliegroutes naar het verblijf verdwijnen dienen deze teruggebracht te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het aanplanten van bomen, aanpassen of verwijderen van verlichting of plaatsen van schermen. Het is voor de begeleidend ecoloog reden om dus niet alleen naar het verblijf en het gebouw te kijken maar ook naar het leefgebied en eventuele effecten van de versterking op deze omgeving.

Samenvatting generieke eisen gebouwbewonende vleermuizen

In de onderstaande checklist zijn de meest algemene eisen waaraan een vleermuisverblijf moet voldoen samengevat.

Algemeen

  • Generieke eis: Voorzieningen moeten geïntegreerd zijn in de constructie.
    • Toelichting: Dit maakt de voorziening onlosmakelijk en duurzaam.

Optimalisatie ontwerp

  • Generieke eis: Meerdere (typen) verblijfplaatsen kunnen in een gebouw worden geplaatst.
    • Toelichting: Dit zorgt voor verschillende microklimaten waardoor het verblijf voor een grotere range doelen en soorten een functie heeft.
  • Generieke eis: (Verbonden) verblijfplaatsen op andere windrichtingen.
    • Toelichting: Dit zorgt voor verschillende microklimaten waardoor het verblijf voor een grotere range doelen en soorten een functie heeft.

Plaatsing invliegopeningen

  • Generieke eis: In geval van behoud bestaand verblijfplaats, originele invliegopeningen behouden of gelijkend op dezelfde locatie terugbrengen.
    • Toelichting: I.v.m. verstoring , roofdieren en valruimte.
  • Generieke eis: Minimaal 2,5 – 3 m hoog boven maaiveld en/of plat dakoppervlakte.
    • Toelichting: I.v.m. verstoring , roofdieren en valruimte.
  • Generieke eis: Aanvliegroute vrij van obstakels, kunstlicht, verstoring en predatoren.
    • Toelichting: I.v.m. verstoring , roofdieren en valruimte.
  • Generieke eis: Geen obstakels als takken of bomen voor de opening .
    • Toelichting: I.v.m. verstoring , roofdieren en valruimte.

Bouw invliegopening

  • Generieke eis: Ruw (niet scherp) materiaal (bijv. hout, stenen, metselwerk, houtwolcement etc.) gebruiken.
    • Toelichting: Vleermuizen hebben grip nodig om te kunnen landen.
  • Generieke eis: Ingang licht schuin omhoog oplopend.
    • Toelichting: Tegen inwatering en voor mestafvoer.

Verblijfplaats

  • Generieke eis: Niet toegankelijk voor mensen.
    • Toelichting: I.v.m. verstoring.
  • Generieke eis: De binnenkant moet ruw zijn, niet geverfd en duurzaam. Bijv. hout, houtwolcementplaat, houtbeton. Gladde materialen zoals beton opruwen. Opruwen kan met bijvoorbeeld tegellijm of (kunststof) gaas van max 2-3 mm doorsnee.
    • Toelichting: Vleermuizen hebben grip nodig om te hangen, landen en te verplaatsen.
  • Generieke eis: Geen ondervorsten, dakfolies, dampremfolies, losse isolatie en pur-afdichtingen in het verblijf. Deze kunnen afgedekt met fijn kunststof gaas (2 mm maaswijdte), zoals PE 5016 of PP5230 of Gripgaas van Unitura. Glaswol in de spouw afdekken met een dunne ruwe plaat. Als alternatief voor standaard dampopen folies is er een vleermuisvriendelijke dampopenfolie op de markt (bijvoorbeeld BAT Safe).
    • Toelichting: In gewone dampopenfolies, dampremfolies of dakfolies kunnen vleermuizen verstrikt raken.
  • Generieke eis: Bij gebruik van houtbehandelingsmiddelen moeten deze zoogdiervriendelijk zijn.
    • Toelichting: Sommige soorten pesticide en antischimmel zijn ook giftig voor vleermuizen.
  • Generieke eis: De omkasting aan de onderzijde moet waterdicht zijn.
    • Toelichting: I.v.m. uitwerpselen.

 

Deze pagina is op 28 november, 2023 om 15:33 voor het laatst gewijzigd.