De gewone dwergvleermuis is een kleine vleermuis. Het is de meest algemene vleermuissoort in Nederland. Hij komt vooral in de bebouwde omgeving voor, zowel in het stedelijk gebied, als op het platteland (Bij12, 2024 & Spijkman, 2016).
De gewone dwergvleermuis kent de volgende kwetsbare perioden:
Winterrust: 1 november tot 1 april, gewone dwergvleermuizen kunnen echter de gehele winter foeragerend worden aangetroffen bij temperaturen boven 8-10° Celsius.
Kraamtijd: 15 mei tot en met 15 juli.
Paartijd: 15 augustus tot en met 15 oktober.
Gebruik zomerverblijfplaatsen: april tot en met oktober.
De genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische en meteorologische omstandigheden (BIJ12, 2024).
In de levenscyclus van de gewone dwergvleermuis kunnen verschillende perioden worden onderscheiden, zoals een winterslaapperiode, een periode waarin gepaard en gebaltst wordt en een periode dat de jongen gezoogd worden. De verblijfplaatsen in Nederland bevinden zich in de regel in gebouwen. Zo vindt baren en zogen allemaal in gebouwen plaats. Periodes waarin wordt gepaard vindt er afwisseling van gebouwen plaats (BIJ12, 2024; Spijkman, 2016).
Algemeen
De gewone dwergvleermuis verlaat ’s avonds relatief vroeg zijn verblijfplaats, rond zonsondergang. De jachtvlucht vindt gemiddeld op 2 tot 5 m hoogte plaats en de prooi wordt in snelle duikvluchten en met achtervolgd. De echolocatie klinkt onregelmatig en is aangepast aan halfopen terrein; in open ruimte gaat het ritme omlaag. In het najaar maken territoriale mannetjes harde baltsgeluiden die vooral door jonge mensen ook zonder detector te horen zijn (BIJ12, 2024; Spijkman, 2016).
Gewone dwergvleermuis (Bron: Rick Sharloch)
Gewone dwergvleermuis op muur (Bron: Taric Schrader)
De gewone dwergvleermuis is in Nederland overwegend een gebouwbewonende soort (in een enkel geval wordt een boomholte gebruikt). De soort gebruikt hiervoor een netwerk aan verscheidene gebouwen en bouwwerken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen kraam-, paar-, zomer- en winterverblijven. Vooral in gebieden met bebouwing en nabij een ‘groene omgeving’, zoals parken, loofbossen, houtsingels en beschutte waterpartijen komen ze veel voor. Hierbij is de aanwezigheid van geschikt foerageergebied, met voldoende dekking, van belang. Tevens is de aanwezigheid van lijnvormige elementen die beschutting bieden tegen wind en predatoren, zoals bomenrijen, belangrijk vanwege de functionaliteit als vliegroutes en foerageergebied. De soort is dus afhankelijk van meerdere, met elkaar samenhangende onderdelen van het landschap, namelijk verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindend habitat tussen de verschillende elementen. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatsgetrouw en keren jaarlijks terug naar hetzelfde gebied. De vrouwtjes krijgen doorgaans één jong, welke na enkele dagen kan meeverhuizen aan de buik van de moeder. De vrouwtjes vliegen na zonsondergang uit om te foerageren, maar keren na enkele uren terug om de jongen te zogen en daarna opnieuw uit te vliegen (BIJ12, 2024).
Verblijfplaatsen
De volgende typen verblijfplaatsen maken deel uit van het functioneel leefgebied, waarbij eenzelfde verblijfplaats voor meerdere typen (functies) gebruikt kan worden, indien de verblijfplaats ook voor die functie(s) geschikt is.
Kraamverblijfplaatsen Kraamverblijfplaatsen worden gebruikt van begin april tot half juli (met uitloop tot eind augustus). Vanaf april clusteren de vrouwtjes samen in groepen van meestal 50 tot 120 individuen. Dit aantal kan soms oplopen tot meer dan 300 individuen in een groep. De vrouwtjes maken in de kraamperiode gebruik van een netwerk aan verblijfplaatsen. Het totaal aantal individuen binnen een netwerk van verblijfplaatsen vormt de kolonie. Binnen dit netwerk kunnen ze regelmatig van verblijfplaats verhuizen. Zeer geschikte verblijfplaatsen zijn de hele kraamperiode in gebruik; ook kan een deel van de aanwezige vrouwtjes verhuizen naar een andere verblijfplaats binnen het netwerk. Na de kraamperiode, zodra de jongen zelfstandig worden, valt de kolonie geleidelijk uit elkaar en vormen de vrouwtjes en hun jongen kleinere groepjes in hetzelfde gebied. Bovengenoemde perioden kunnen afwijken door weersomstandigheden (BIJ12, 2024).
Paarverblijfplaatsen Een paarverblijfplaats wordt zo genoemd als het in de periode van half juli/augustus tot en met oktober wordt gebruikt door een mannelijke gewone dwergvleermuis. Één paarverblijfplaats heeft een voortplantingsfunctie voor 1 tot 10 dwergvleermuizen. Hiervan is slechts één mannetje aanwezig; de rest zijn vrouwelijke gewone dwergvleermuizen. Een mannelijke gewone dwergvleermuis heeft een territorium van zo’n 0,2-3 ha groot en heeft in zijn territorium meerdere verblijfplaatsen. De mannetjes zijn erg territoriaal tegen soortgenoten en verblijven buiten de paartijd alleen of in kleine groepjes. Het komt vaak voor dat mannetjes de paarverblijfplaatsen het hele jaar gebruiken. De paarverblijfplaatsen bevinden zich meestal in de bebouwing, al zijn er enkele balts- en paarverblijfplaatsen in (vogel of vleermuis)kasten en bomen bekend (BIJ12, 2024; Limpens et al., 1997). Bovengenoemde perioden kunnen afwijken door weersomstandigheden (BIJ12, 2024).
Winterverblijfplaatsen Winterverblijfplaatsen worden als rustplek (winterslaap) gebruikt van november tot en met maart (kan afwijken door weersomstandigheden). Tijdens zachtere omstandigheden, of als een reactie op koudeval, in deze periode kunnen vleermuizen weer actief worden, gaan foerageren of wisselen van verblijfplaats. Vanaf augustus worden de winterverblijven geïnspecteerd en kunnen ze in gebruik genomen worden. De winterverblijfplaatsen bevinden zich gewoonlijk bovengronds in gebouwen, maar komen soms ook voor in de ingangen van kelders, forten of kalkgroeven e.d.. Van belang is dat de overwinteringslocatie overwegend vorstvrij is: gewone dwergvleermuizen lijken een voorkeur te hebben voor gebouwen die langzaam op de buitentemperatuur reageren. De overwinteringverblijfplaatsen bevinden zich in de regel in objecten die een sterkere dagfluctuatie van de temperatuur hebben dan de objecten waar andere vleermuissoorten in overwinteren. Er zijn weinig overwinteringsplekken bekend (BIJ12, 2024)
Er zijn drie typen winterverblijfplaatsen: winterverblijfplaatsen waar mannetjes alleen, soms met enkele vrouwtjes verblijven tot dat de temperatuur daalt, kraam- en zomerverblijfplaatsen waar een kleine groep exemplaren verblijft tot de temperatuur daalt, en massawinterverblijfplaatsen. Met name de winterverblijfplaatsen met enkele exemplaren zijn moeilijk aan te tonen. Er mag zekerheidshalve vanuit worden gegaan dat een plek die als zomerverblijfplaats in gebruik is, ook als winterverblijf wordt gebruikt. Daarnaast zijn er dus mogelijk ook plekken die niet als zomerverblijfplaats of als paarverblijfplaats, maar wel als winterverblijfplaats worden gebruikt. Dit zijn veelal massawinterverblijven waarvan nog maar weinig bekend is in ons land.
Massawinterverblijfplaatsen Een massawinterverblijfplaats wordt zo genoemd als tientallen tot duizenden dieren samenkomen om te overwinteren. In Nederland bevinden massawinterverblijfplaatsen zich alleen in bebouwing. Het gaat met name om gebouwen met een groot bouwvolume en dikke buitenmuren (meer dan 1,2 meter dik), zoals flats, kantoorgebouwen en woonhuizen. Ook locaties met matig of niet-geïsoleerde spouwmuren, dikke gevelbekleding (zoals travertijn), of koude daken behoren tot deze categorie. Denk hierbij aan ingangen van kelders, kerktorens, forten of kalksteengroeven. De spouwruimtes of dakruimtes blijven doorgaans vorstvrij dankzij warmtelekken of de opstijgende warme lucht uit kelderruimtes.
Zomerverblijfplaatsen Onder een zomerverblijfplaats valt elke verblijfplaats die in de periode van april tot en met oktober gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn en waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats of een paarverblijfplaats is. Het gaat hierbij zowel om locaties van vrouwtjes als mannetjes, losse individuen of kleine groepjes. Waarschijnlijk hebben gewone dwergvleermuizen een voorkeur voor gebouwen waarbij verschillende ruimten benut kunnen worden. Dit is afhankelijk van de weersomstandigheden (BIJ12, 2024).
Kwetsbare periodes
De gewone dwergvleermuis kent de volgende kwetsbare perioden:
Winterrust: 1 november tot 1 april, gewone dwergvleermuizen kunnen echter de gehele winter foeragerend worden aangetroffen bij temperaturen boven 8-10° Celsius.
Kraamtijd: 15 mei tot en met 1 augustus.
Paartijd: 15 augustus tot en met 15 oktober.
Gebruik zomerverblijfplaatsen: april tot en met oktober.
De genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische en meteorologische omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden (BIJ12, 2024).
De gevoelige perioden van de gewone dwergvleermuis (globale weergave). Hierin wordt de mate van gevoeligheid bepaald door de mogelijkheid van de gewone dwergvleermuis om zich aan te passen bij verandering. In werkelijkheid kunnen deze periodes in elkaar overlopen en zijn niet zo scherp begrensd zoals in de tabel staat. De ‘♀’ of een ‘♂’ geeft aan of het van toepassing is op respectievelijk vrouwtjes- of mannetjesvleermuizen. Bron: BIJ12, 2024).
Eisen aan verblijfplaatsen
Algemene eisen plaatsing verblijf
Hoogte van invliegopeningen op minimaal 4 meter. Bij plaatsing boven aan aanbouw moet de hoogte vanaf de aanbouw minimaal 2 meter zijn om predatie te voorkomen.
De in- en uitvliegopeningen zijn vrij van obstakels zoals takken of bomen.
Verschillende microklimaten aanbieden door kasten op verschillende zon- en windrichtingen te hangen.
Bij voorkeur binnen 50 meter en uiterlijk 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats. Indien plaatsing binnen deze afstanden niet mogelijk is, is een ecologische onderbouwing nodig.
In geval van reeds bestaand verblijf: de invliegopening komt zoveel mogelijk overeen met de oorspronkelijk invliegopening, zodat deze wordt herkend door de vleermuis. Tevens dient deze op dezelfde locatie te zitten zodat die sneller ontdekt wordt.
De toegang tot de invliegopening dient uit ruw (niet scherp) materiaal te bestaan, zodat vleermuizen met landen grip hebben (bijv. hout, stenen, metselwerk, houtwolcement etc.).
Horizontale invliegopeningen moeten de volgende afmetingen hebben: breedte 5,0 tot 30 cm en hoogte 1,5 tot 2,0 cm.
Verticale invliegopeningen moeten de volgende afmetingen hebben: breedte 1,5 tot 2,0 cm en hoogte 5 tot 30 cm.
Voor gewone dwergvleermuis kan een ingang van 0,9 cm voldoende zijn, mits dit een ondiepe opening is, zoals tussen twee kleine plankjes.
Een doorgang van 1,5 – 2,0 cm is optimaal zodat hoogzwangere vrouwtjes en grotere vleermuissoorten (laatvlieger, meervleermuis) er ook doorheen kunnen, maar vogels niet. De ingang licht schuin omhoog oplopend tegen inwatering.
Eenzelfde gebouw kan meerdere typen verblijfplaatsen herbergen in meerdere aantallen.
De verblijfplaats mag niet toegankelijk zijn voor mensen.
Voorzieningen dienen geïntegreerd in de constructie plaats te vinden. Dus onlosmakelijk en duurzaam onderdeel van het object uit te maken.
Materiaal dient geschikt te zijn voor vleermuizen:
De binnenkant moet ruw zijn (Simon et al., 2004) (geen glad beton, folie, kunststof, volkern, of glad hout), niet geverfd en duurzaam. Het materiaal moet voor vleermuizen voldoende grip bieden om te kunnen hangen en zich te kunnen verplaatsen.
Verblijfplaatsen zijn gemaakt van duurzaam materiaal zoals hout, steen, houtwolcementplaat, wedi-plaat, houtbeton of opgeruwd betonmultiplex.
Het materiaal van de verblijfplaatsen moeten voldoende ademend zijn. Bij veel kunststof materialen (zoals bijvoorbeeld EPS bolletjesschuim) kan het erg warm worden in het verblijf en kunnen vleermuizen stikken.
Het toepassen van ondervorsten, dakfolies en dampopenfolies en losse isolatie en pur-afdichtingen dient achterwege te blijven uit de verblijfsplekken onder het dak en in de gevels. Bij gebruik van dampopen folies dient een vleermuisvriendelijke variant (bijvoorbeeld TLX Batsafe) toegepast te worden. Vleermuisvriendelijke dampopenfolie rafelt of pluist niet. Hierdoor raken vleermuizen niet verstrikt in losgekomen kluwen.
Indien dit niet kan worden toegepast moeten ondervorsten, dakfolies, dampremfolies afgedekt te worden met fijnmazig kunststof gripgaas met een maximale maaswijdte van 1 tot 2 mm om verstrengeling te voorkomen. Dit gaas dient voldoende duurzaam te zijn en mag niet makkelijk breken of losgetrokken worden.
Eventueel gebruikte houtbehandelingsmiddels moeten zoogdiervriendelijk zijn.
De bodem van de verblijfplaats moet waterdicht zijn.
Te herstellen of te vervangen verblijfplaatsen onder dakbedekking (met name voor laatvlieger) onder de dakpannen dienen gelijkwaardig te zijn aan bekende verblijfplaatsen onder type RBB-dakpannen en sneldekdakpannen. Hout of ruwe dakbeschot bedekking, overbrugging spouw, geen gladde folies of kunststof afsluitingen, doorgang onder gehele dakbedekking mogelijk, meerdere uitvliegopeningen).
Met name de omkasting aan de onderzijde dient vloeistofdicht te zijn.
Exacte maatvoering afhankelijk van benutting bestaande en te realiseren holle constructie ruimten, zoals overstekken, dakranden, overtollige isolatieplaatranden, schoorstenen, verlaagde plafond, loze zolderruimten, etc.
Bij het gebruik van paalkasten (zoals een rocketbox) dienen alleen kasten met voldoende temperatuurgradiënten gebruikt worden.
Tevens geschikt als paarverblijf en jaarrond verblijf.
Alleen inwendig in het gebouw.
In de verblijfplaats moeten verschillende microklimaten aanwezig zijn.
Prefab inbouwkasten voldoen in beginsel niet als standaardoplossing voor deze verblijfsfunctie. Enkel bij geschakelde toepassing van vaak 4 of meer prefab elementen kan deze voldoen aan de functie kraamverblijf.
Minimale oppervlakte van 15-20 m2. Dit oppervlakte kan behaald worden door bijvoorbeeld met meerdere lagen te werken of door verschillende gebouwonderdelen met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld spouwruimte en dakruimte.
Variatie in microklimaat is enorm belangrijk voor een kraamkolonie vleermuizen. Dit kan gecreëerd worden door:
Verschillende gebouwonderdelen met elkaar te verbinden, zoals bijvoorbeeld dak en zolderruimte of dak en spouwruimte (spouwruimte heeft vaak een stabielere temperatuur dan de dakruimte waardoor deze als uitwijkmogelijkheid gebruikt kan worden bij warme weersomstandigheden).
Meerdere compartimenten in een verblijf aan te brengen. Bijvoorbeeld door:
Minimaal 3 verschillende compartimenten bestaan waartussen vleermuizen kunnen bewegen. De diepte van één laag dient minimaal 2,5 cm te zijn.
Toepassing onder dakbedekking altijd in combinatie met toegang tot een spouw of loze ruimte in een dakrand of overstek.
Toepassing binnen plangebied afhankelijk van type werkzaamheden. Toepassing enkel in gevel is beperkend voor bijzondere soorten, combinatie verblijf in schoorsteen, brede spouwruimte, loze ruimte in dakrand of overstek of gelaagde ruimte onder dakpannen biedt wel kansen voor soorten als laatvlieger.
Enkel toepassing van plaatvormige gevelkasten biedt onvoldoende functionaliteit voor de bijzondere soorten als laatvlieger. Voor deze soorten dient een combinatie met dakrand, dak en schoorsteen uitgewerkt te worden per project.
Groot jaarrond verblijf/massawinterverblijf
Eveneens geschikt als jaarrond verblijf voor bijna alle voorkomende soorten.
Massawinterverblijfplaatsen zijn zeer kritische en specifieke verblijfplaatsen. Bij aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats dient in alle gevallen met de betreffende projectecoloog gekeken worden hoe deze verblijfplaatsen behouden kunnen worden met werkzaamheden.
Alleen inwendig in het gebouw.
Indien spleetvorming haaks op de constructie niet mogelijk zijn (zoals dilataties in metselwerk en betonelementen) dan dient er met plaatvormige en onderling geïsoleerde spleetvormige gelaagde materialen een ruimte te worden gecreëerd waartussen dieren gemakkelijk kunnen verplaatsen.
Verblijfplaats dient vorstvrij te zijn maar bij voorkeur een temperatuurvariatie te hebben met ruime spleetvormige hangplekken. De compartimenten dienen een variabele temperatuurbuffering te bieden bij temperatuurwisselingen zodat grote aantallen dieren altijd de optimale winterrustplek kunnen vinden in de constructie.
Er dient een stabiele temperatuur tussen de 0 en 10 °C in grote delen van de verblijfplaats te zijn ongeacht weersomstandigheden.
Massawinterverblijfplaatsen kunnen slechts in bepaalde type gebouwen gecreëerd worden die voldoende oppervlakte hebben:
Grote appartementencomplexen.
Kerken.
Flats.
Andere grote gebouwen.
Oppervlakte dient zeer groot te zijn. Dit kan wellicht gehaald worden door met meerdere compartimenten te werken. Dit vraagt per definitie om maatwerk.
Meerdere in- en uitvliegmogelijkheden aanbieden per verblijfplaats.
Stabiele binnentemperatuur in verblijfplaats.
Klein zomer/paar/winterverblijf
Minimale interne afmeting is15 x 80 cm (b x h). Bij een enkellaagskast dient de diepte minstens 2 cm te zijn; bij meerlaagse kasten dient de diepte minimaal 1,5 cm te zijn.
Deze minimumafmeting kan gerealiseerd worden d.m.v. meerdere compartimenten of door verschillende gebouwonderdelen in de hoogte met elkaar te verbinden.
Houdt rekening met zonexpositie. Verblijfplaatsen dienen op meerdere zonrichtingen geplaatst te worden.
Eisen temperatuur, warmte-gradiënt en buffering
Vleermuizen managen hun energieverbruik o.a. met de keuze van verblijfplaats. In het volgende overzicht is de acceptabele minimum- en maximumtemperatuur aangegeven (voor zover bekend) in de periode dat het verblijf gebruikt wordt. Oververhitting is ongewenst, evenals te lage temperaturen, welke immers veel energie kosten.
Verblijven dienen zelfs in de wintersituatie voor de meeste soorten vorstvrij te zijn. Van belang is ook dat de individuen door middel van temperatuurgradiënten altijd een keuze hebben te reageren op relatief warme of koudere weersomstandigheden.
Om dit mogelijk te maken is het noodzakelijk om bij verblijfplaatsen interne verhuismogelijkheden te bieden. Dit kan in het verblijf zelf, bijvoorbeeld door het realiseren van een meerlaagse voorziening waar vleermuizen van de ene laag naar de andere laag kunnen verhuizen. Andere mogelijkheid is om verschillende gebouwonderdelen met elkaar te verbinden. Zoals bijvoorbeeld een dakvlak en een spouwruimte. Voor sommige soorten zoals laatvlieger en meervleermuis is dit een vereiste. Functionele ontwerpen moeten daarom ook altijd interne verhuizing toelaten. Gedeeltelijke overlap in temperatuurgradiënten is van belang voor temperatuurstabiliteit. Een hoge dynamiek in opwarmen en afkoelen is niet voorspelbaar voor vleermuizen en daarom ongewenst.
Verblijven, de wijze waarop, en de materialen waaruit ze gebouwd zijn moeten dan ook een goede buffering hebben, en materialen een hoge warmtecapaciteit. Kleuren aan de buitenkant van voorzieningen moeten oververhitting voorkomen en aan de noordkant van gebouwen juist opname van warmte bevorderen. Dit wil zeggen dat op een zuid- en westgevel die vol in de middagzon liggen, donkere kleuren onwenselijk zijn omdat er dan kans is op oververhitting. Op noord- en oostzijde van gebouw, waar minder zonneschijn op komt, kunnen donkere kleuren juist helpen met warmte opnemen omdat donkere kleuren warmte beter vast houden. De begeleidend ecoloog dient in de toepassing van maatregelen hier rekening mee te houden.
Ook dient rekening gehouden te worden met het aantal invliegopeningen die gerealiseerd worden. Meerdere invliegopeningen kan zorgen voor snellere ontdekking van een verblijfplaats, maar te veel invliegopeningen kan leiden tot tocht in het verblijf. Dit is onwenselijk omdat het tot uitdrogen en afkoelen van individuen kan leiden. Het advies is daarom om te kijken naar het aantal invliegopeningen in de bestaande situatie en dat aan te houden.
Opmerking: Interne migratie moet mogelijk zijn tussen koele en warme plaatsen.
Winterverblijf
minimum: 1,5 ºC
maximum: 10 ºC
Massawinterverblijf:
Boven 0 ºC
Opmerking: Harde grenswaardes onbekend, bij warmtelek hangen dieren soms zichtbaar.
Over harde eisen van luchtvochtigheid is weinig bekend. In onderstaand overzicht staat aangegeven wat er bekend (of juist niet bekend) is over de eisen van luchtvochtigheid. Bij soorten waar luchtvochtigheid sterk richtinggevend kan zijn (bijv. baardvleermuis, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis) is het aan te raden om omstandigheden zoveel mogelijk overeen te laten komen met bestaande verblijfplaats.
Luchtvochtigheidseisen gewone dwergvleermuis
Zomer- en paarverblijf
Niet sterk richtinggevend voor ontwerp, harde grenswaarden onbekend.
Kraamverblijf:
Sterk richtinggevend voor ontwerp, harde grenswaarden onbekend.
Winterverblijf
Harde grenswaardes onbekend
Voor winterverblijven en t.o.v. andere soorten relatief droog. Waardes vanaf 60% relatieve luchtvochtigheid.
Massawinterverblijf:
Harde grenswaardes onbekend
Droge verblijven t.o.v. andere soorten. 50% relatieve luchtvochtigheid.
Eisen omgeving
Een geschikt leefgebied bestaat uit een combinatie van onderstaande elementen in de directe omgeving (100 à 200 meter) van de beoogde verblijfplaats. Daar waar er een of enkele elementen ontbreken als gevolg van de werkzaamheden rondom het bouwkundig versterken kunnen deze worden aangelegd. Wanneer er kansen zijn om een ‘plus’ voor het leefgebied aan te leggen wordt dat gedaan. Dit wordt door de projectecoloog bepaald. De volgende elementen dienen aanwezig te zijn om een gebied als geschikt leefgebied te beoordelen.
Nabijheid van water.
Nabijheid van bomenrijen, bossen met open plekken en/of donkere gazons met alleenstaande bomen.
Nabijheid van lijnvormige structuren (bijvoorbeeld bomenrijen en/of bosranden).
Voldoende voedselaanbod (insecten).
Geen directe verlichting op verblijfplaatsen, waterelementen, lijnvormige structuren en alleenstaande bomen die een functie vervullen in het vleermuisnetwerk.
Indien toch verlichting gebruikt wordt dient vleermuisvriendelijke verlichting toegepast te worden (rood of amberkleurig). In lage hoeveelheid lumen, lage armaturen en vooral gericht op het wegdek, waarbij uitstraling naar de omgeving wordt voorkomen.
Indien als gevolg van de werkzaamheden potentiële vliegroutes naar het verblijf verdwijnen dienen deze teruggebracht te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het aanplanten van bomen, aanpassen of verwijderen van verlichting of plaatsen van schermen. Het is voor de begeleidend ecoloog reden om dus niet alleen naar het verblijf en het gebouw te kijken maar ook naar het leefgebied en eventuele effecten van de versterking op deze omgeving.
Generieke eis: De binnenkant moet ruw zijn, niet geverfd en duurzaam. Bijv. hout, houtwolcementplaat, houtbeton. Gladde materialen zoals beton opruwen. Opruwen kan met bijvoorbeeld tegellijm of (kunststof) gaas van max 2-3 mm doorsnee.
Toelichting: Vleermuizen hebben grip nodig om te hangen, landen en te verplaatsen.
Generieke eis: Geen ondervorsten, dakfolies, dampremfolies, losse isolatie en pur-afdichtingen in het verblijf. Deze kunnen afgedekt met fijn kunststof gaas (2 mm maaswijdte), zoals PE 5016 of PP5230 of Gripgaas van Unitura. Glaswol in de spouw afdekken met een dunne ruwe plaat. Als alternatief voor standaard dampopen folies is er een vleermuisvriendelijke dampopenfolie op de markt (bijvoorbeeld BAT Safe).
Toelichting: In gewone dampopenfolies, dampremfolies of dakfolies kunnen vleermuizen verstrikt raken.
Generieke eis: Bij gebruik van houtbehandelingsmiddelen moeten deze zoogdiervriendelijk zijn.
Toelichting: Sommige soorten pesticide en antischimmel zijn ook giftig voor vleermuizen.
Generieke eis: De omkasting aan de onderzijde moet waterdicht zijn.
Toelichting: I.v.m. uitwerpselen.
Deze pagina is op 6 januari, 2026 om 14:02 voor het laatst gewijzigd.